Sneeuw

De winter van 1979. Ik zat in de brugklas en ik herinner me dat de school dicht was. Niet zozeer omdat de kinderen uit Stad (Groningen) niet op school konden komen, maar meer omdat de kinderen uit de omringende dorpen de stad niet konden bereiken vanwege de enorme sneeuwval. Dorpen in het noorden van het land waren van de buitenwereld afgesneden. Mensen raakten ingesneeuwd in hun auto, treinen zaten vast in sneeuwduinen van 3 tot 6 meter hoog en het leger werd ingezet om de wegen vrij te maken. In sommige dorpen viel de stroom uit en dus ook de centrale verwarming. Voor een 13-jarige is zo’n periode vooral spannend en realiseer je je niet welke problemen een zware sneeuwstorm met zich meebrengt. Sneeuwvrij van school is fijn en zo’n berg sneeuw ziet er gewoon mooi uit. Vanuit het huis, want ik was én ben een huismus die liever met een goed boek, een kop thee en een plaid op de bank ligt.

42 jaar later. Op zaterdag wordt een code rood afgegeven voor de volgende dag omdat er een sneeuwstorm onze kant opkomt. Reden voor een deel van de Nederlandse bevolking om te zorgen voor lege schappen in de supermarkten, alsof de sneeuwstorm minstens zes maanden gaat aanhouden. Het kan zijn dat ik te nuchter of te naïef ben, maar het komt niet eens in me op om te gaan hamsteren. Er is geen enkele reden om te denken dat we nu in The Day After Tomorrow-taferelen terecht gaan komen. (je weet wel, die rampenfilm waarin een tsunami New York overspoelt en dat daarna de boel in sneltreinvaart dichtvriest) Welnee, we gaan gewoon een paar dagen van Hollands ongemak tegemoet.

Het is zondag en er ligt inderdaad een pak sneeuw in mijn tuin. Het ziet er buitengewoon guur uit met die opstuivende en rondwervelende sneeuw, de wind zorgt voor kleine duinen tegen de ramen en muren. Op straat laten mensen hun kinderen uit en, in een enkele geval, hun hond. Er wordt opgeroepen om vooral de weg niet op te gaan met de auto of fiets, omdat het spekglad is. De enige reden die ik kan bedenken om toch met de auto of fiets onderweg te zijn, is omdat je naar je werk moet of dat er sprake is van een noodsituatie. Met die gedachte in mijn achterhoofd kijk ik met interesse naar de rode auto die voor mijn huis geparkeerd staat. Naast de auto staan een vader, een moeder en een kind met een slee.  Blijkbaar zijn ze van plan om een uitstapje te gaan maken. Het kind is enthousiast en kan niet wachten om zijn slee in gebruik te nemen. De moeder is ondertussen driftig bezig om de auto te ontdoen van sneeuw en ijs. De vader kijkt toe en straalt vooral uit dat hij werkelijk geen zin heeft om ook maar ergens heen te gaan. Om zijn vrouw te pesten, meldt hij dat pas op het moment dat ze klaar is met het krabben van de ruiten. Er ligt immers voldoende sneeuw in de eigen omgeving om de slee te gebruiken. De vrouw werpt haar man een ijzige blik toe, het valt me mee dat ze de ijskrabber niet in zijn voorhoofd plant. Het kind vindt alles best, zolang hij maar op de slee wordt rond gesleept. En zo geschiedde.

Hoe dan ook, tot nu toe kan de winter van 2021 niet tippen aan die van 1979. En dat hoeft van mij ook helemaal niet.

Winter in Den Haag, 7 februari 2021

Winterblues

winterblues2Naarmate ik ouder word, begin ik steeds meer een hekel te krijgen aan de winter. Mijn minst favoriete maand van het jaar valt deels in de winter, namelijk december. Januari, februari en maart zijn ook niet oké, maar aan geen enkele maand heb ik zo de pest als aan december. Maar daar ga ik het nu niet over hebben, nog 3 weken zien te overleven en dan is het weer voorbij. Nee, ik wil het hebben over hoe moeizaam ik mijn nest uit kan komen in de winter. En hoelang het duurt voordat ik op gang ben.

Zomaar een dinsdagochtend. De wekker gaat op een, voor de zomer, christelijk tijdstip. Nu is het winter en nog heel erg donker, dus hebben we het hier over een onchristelijk tijdstip. Maar er moet gewerkt worden en na een worsteling met de wekker, sleep ik mijn vermoeide lichaam richting badkamer. Aldaar aangekomen constateer ik dat ik wallen onder de ogen heb zitten ter grootte van de Afsluitdijk. En vouwen in het gezicht met de diepte van de Marianentrog. Wetende dat het uren gaat duren voordat wallen en vouwen zijn verdwenen, stap ik in lichtelijk depressieve toestand onder de douche. Op de automatische piloot was ik de haartjes, boen ik het lijf en weet ik daarna andere cosmetische activiteiten redelijk succesvol af te ronden. Vervolgens het dilemma van de dag: hoe koud is het en wat trek ik aan? De keuze valt natuurlijk op iets dat nog gestreken moet worden. Strijkplankje staat, bloesje ligt gedrapeerd gekreukeld te zijn en ik sta met de föhn in de handen me af te vragen hoe ik in vredesnaam met dat ding moet strijken. Het duurt even voordat ik doorheb dat ik beter het strijkijzer kan pakken. Blij toe dat ik het strijkijzer niet gebruikt heb voor het föhnen van mijn haar.

Aangekleed en wel sta ik een eeuwigheid later buiten naar mijn fiets te staren. Iemand dacht waarschijnlijk dat het glad zou worden en vond het verstandiger dat ik met iets zachtere banden zou gaan fietsen. Maar je kan het ventieltje ook iets te ver losdraaien. Het is nog steeds heel erg donker en ik heb heel erg geen zin om mijn band op te pompen. Eigenlijk heb ik ook heel erg geen zin om te fietsen, tram 5 lonkt. Die band komt vanavond wel. Of morgen. Of over een paar maanden, als het weer licht is. Na mijn winterslaap.