Koningsdag

Vroeger zaten wij op 30 april altijd vol spanning voor de televisie te kijken naar Koninginnedag. Koningin Juliana stond met man, kinders en kleinkinders op het bordes van paleis Soestdijk te zwaaien naar het voorbijtrekkend volk dat cadeaus kwam aanbieden. Al vond ik het paleis best een groot huis, ik vroeg me wel af waar Juliana al die rotzooi moest laten en of ze zelf nog geen pannenlappen zou hebben. Toen Beatrix koningin werd, ging de familie tijdens Koninginnedag op tournee door het land alwaar zij kennis mochten maken met plaatselijke gebruiken zoals het werpen van toiletpotten. Geen verbetering, vond ik. Dan kan je maar beter thuis cadeaus aannemen die je later op Marktplaats kan verkopen.

Sinds Willem-Alexander koning is, vieren we Koningsdag op 27 april en wordt er door de familie nog maar één stad of dorp bezocht. Dit jaar komt de familie (weer) naar mijn stad, Groningen. Het programma bestaat uit cultuur, innovatie en aardbevingen. Ik was even bang dat de NAM een extra gasboring gaat verrichten, zodat we de koning kunnen verrassen met een echte aardbeving maar gelukkig gaat er alleen maar gepraat worden over het schudden der aarde. Ik zag al de hele Martinitoren neerdalen op de koning en zijn gevolg, hadden we dan mooi het wereldnieuws mee gehaald.

Sta ik op de 27e met een vlaggetje te zwaaien tussen het volk op de Vismarkt? Nee, zeker niet. Als ik een volksoploop kan ontlopen, doe ik dat met liefde. Bovendien, Wim-Alex en ik worden binnenkort buren en dan kan ik met enige regelmaat naar hem zwaaien, mocht ik daartoe de behoefte voelen opkomen. Mijn nieuwe woonplaats Den Haag pakt trouwens stevig uit op Koningsdag met een traditionele Geraniummarkt. Ik verheug me nu al op 2019.

Gerelateerde afbeelding

Voor de mensen die morgen toch graag met een vlaggetje willen zwaaien op de koninklijke route

Amsterdam

dsc_0078-2Een paar dagen geleden kreeg ik van mijn vrienden van Kamernet het vriendelijke doch dringende verzoek om mijn zoekprofiel opnieuw te activeren. Doe ik dat niet, dan deactiveren zij de boel. Dat mogen ze rustig van mij gaan doen, ik heb immers al de perfecte kamer gevonden in Amsterdam. En zolang mijn perfecte huurbazen niet verkassen, voelt deze dame geen enkele noodzaak om naar een ander kamertje om te kijken.

Door de mail realiseerde ik me opeens dat ik een jaar geleden, op 19 oktober om precies te zijn, de sleutel van mijn kamer in ontvangst heb genomen. Op de maandagmiddag, in Amsterdam Zuid, 25m² helemaal voor mij alleen. Volledig gemeubileerd, ik hoefde alleen maar het bed op te maken en mijn kleding in de kast te hangen. En vanaf dag 1 heb ik mij thuis gevoeld in Amsterdam. De buurt voelt vertrouwd aan en ik heb een aantal vaste adresjes waar ik graag kom. Mijn ‘eigen’ plein met bijbehorend eetcafé, een favoriet filmhuis, het gezelligste theater en het leukste koffiehuis. Ik heb ook een eigen fitnessclub, maar die valt onder de categorie ‘noodzakelijk kwaad’ en niet onder de favorieten.

Is Amsterdam heel anders dan Groningen? Nou, nee. Het is een beetje groter, maar ook in Amsterdam hebben fietsers hun eigen voorrangsregels en zijn verkeerslichten alleen bedoeld voor automobilisten. En oké, ook al mogen we in Groningen niet klagen over het culturele aanbod, in Amsterdam heb ik meer keuze op dat vlak. Waar ik dan ook dankbaar gebruik van maak. Het enige nadeel van Amsterdammers is dat ze weleens je fietstassen lenen en niet weer terugbrengen. Dat doen we in Groningen niet, ongevraagd fietstassen meenemen. Maar verder voel ik me net zo thuis in Amsterdam als in Groningen.

En mijn kamertje? In een jaar tijd meer eigen spulletjes naar binnen gesleept, lekker nestelen zoals dat mooi heet. Het is mijn eigen wereldje, waarin ik maar weinig anderen toelaat. Mijn veilige haven, mijn rustoord, het nest aller nesten.
Marita blijft.

Glad

Iemand stelde voor dat ik een stukje zou schrijven over de ijzel in Groningen, want daar kan ik best iets grappigs van maken. Nu zat ik de afgelopen week tijdens deze laatste ijstijd lekker veilig in Amsterdam en heb ik het hele feest niet meegemaakt. Gelukkig maar, want ik heb enorm de pest aan ijzel. En laat ik daar vier jaar geleden al wat woorden aan vuil hebben gemaakt. Dus bij deze, geschreven op 31 januari 2012.

Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het gladheid. En dan vooral als de gladheid niet van te voren is aangekondigd. Vertelt men mij dat het glad is/wordt, dan trek ik schoenen aan met een fikse profielzool en ben ik bijzonder voorzichtig in het verkeer. En is er sprake van ijzel, dan blijf ik gewoon thuis. Het is maar even dat jullie het weten. Ik hou wel van mijn werkgever, maar niet zoveel dat ik mijn lijf en leden wil riskeren.

Vorige week dinsdag was zo’n onaangekondigde gladheidsdag. Nietsvermoedend stap ik om kwart over zeven op mijn fiets en scheur ik vol enthousiasme het fietspad op om meteen daarna een fietstunnel, met bocht, in te duiken. Daar kom ik heelhuids doorheen en de eerste meters is er dan ook niets aan de hand. Rustig trap ik achter een meneer aan, die net als ik rechtsaf de Herman Colleniusbrug op moet. En toen ging het mis. Meneer zeilt meteen onderuit, waardoor ik in de ankers moest en vervolgens ook met mijn snuit op het asfalt lag. Meneer en ik lagen nog verbijsterd om ons heen te kijken toen we gezelschap kregen van 2 andere onderuit-glijders. Werd het toch nog gezellig tijdens dit “Blij dat ik glij”-festijn. Zo’n massale valpartij verbroedert wel. We hebben elkaar omhoog geholpen, een check gehouden op het functioneren van alle ledematen en zijn gezamenlijk de brug over geschuifeld tot het punt waar het niet meer glad was.

Niet geheel heelhuids ben ik die ochtend opgelucht het kantoor binnengelopen. Blij dat ik er zonder al te veel verwondingen vanaf ben gekomen, want zo’n valpartij kan slechter aflopen. Opgelopen schade: een fikse schaafwond op een arm en 3 blauwe plekken. Een deel van de huid van mijn arm heb ik later teruggevonden aan de binnenkant van mijn jas. Niet dat ik daar trouwens nog iets mee kan. Terugplakken is geen optie, bovendien genereert een grote pleister op je arm veel meer aandacht van je omgeving. En dat vind ik stiekem dan ook wel weer leuk.

Afscheid van de bezem

Dinsdagavond 1 december. Lopend naar huis door het centrum van mijn stad, Groningen. Heerlijke stad, klein maar fijn en relaxt bruisend. En er wonen van die lieve, attente mensen. In de Folkingestraat werd ik voorbijgefietst door een jongen die mij waarschuwde dat mijn tas open stond. Dat klopte want de fles wijn die ik cadeau had gekregen, paste niet helemaal in de rugzak. Een cadeautje vanwege mijn afscheid van het kantoor in Groningen. Praktisch als ik ben, heb ik mijn afscheid gecombineerd met de eindejaarsborrel die al gepland stond. Want die borrel was in de kroeg en dat vind ik toch een stuk gezelliger dan het bedrijfsrestaurant. En gezellig was het zeker. Tijdens een afscheid moet er om onduidelijke redenen altijd gespeecht worden. Mijn manager kon zich in ieder geval niet inhouden. Ik geef toe dat ik bij speeches zelden goed oplet, te gauw afgeleid door andere zaken (bitterballen). Ik kan mij herinneren dat het woord carrière vaak voorbij is gekomen en zoiets als een moedige stap. En dat ik een soort van moeder was/ben voor collega’s, wat trouwens meteen vanuit de zaal enthousiast werd aangevuld met het woord ‘heks’. Kon ik natuurlijk alleen maar beamen, het is erg lastig om altijd dat schattige imago in stand te houden. Ook heeft de manager gemeend te moeten melden dat ik in de overgang ben. Ik weet niet waar hij die informatie vandaan heeft, maar het klopt voor geen meter. Speech voorbij, je krijgt bloemen en dan denk je dat je weer aan de drank kan. Maar nee, ook ik moest speechen van de aanwezigen. Ik ben de beroerdste niet, ook zonder pen en papier kan ik de nodige onzin uitkramen. Geheel onvoorbereid, maar improviseren blijkt een van mijn talenten te zijn. Alleen die microfoon…. Hoe dan ook, een beter afscheidsfeestje had ik mij niet kunnen wensen. Een hoop lieve woorden, veel knuffels, zoenen en sjans met de barman. Een aantal liefdesverklaringen ontvangen, sommige mensen waren nuchter toen ze me dat meldden, anderen zeer zeker niet. Maar ach, het is toch mooier dat mensen van je houden en je gaan missen, dan dat de vlag wordt uitgehangen bij je vertrek. De mensen van kantoor Groningen hebben voor altijd een plekje in mijn hart veroverd. Voor al die mensen die ik in de afgelopen jaren een mep heb verkocht; ik deed het uit liefde. En met liefde.

Het favoriete heksje van Paul,
Marita

paul

Mooie woorden van Paul

 

 

Groenvoer

lekkerIn Groningen is het heel normaal dat je tijdens je lunchbreak volkorenbammetjes met kaas eet en deze wegspoelt met een bekertje melk. In Amstelveen word ik omgeven door vrouwen die het liefst de hele dag in een rauwkostsalade rondprikken. Zelfgemaakt, met de nodige creativiteit. En die creativiteit zorgt ervoor dat bij het openen van het Tupperware bakje, je het idee hebt dat je op een pasar malam bent. Of met je kop in een bak met uien hangt. Uien stinken, dus waarom moet ik lijden onder het knaagdierendieet van een ander? Kunnen we voor groenvoereters niet een aparte, afgesloten ruimte maken? Zodat ze lekker aan elkaars salade kunnen ruiken en kap-, maai- en maalrecepten kunnen uitwisselen? Een eigen konijnenpaleis/caviaparadijs/hamsterhol (doorhalen wat niet van toepassing is). Zou dat niet geweldig zijn? En dan zorgen we ook voor een tredmolen, zodat men meteen aan de broodnodige beweging kan werken.
Nu is het niet gek dat vrouwen vaak bezig zijn met hun lijn. Doe het zelf ook, maar ik heb me er inmiddels bij neergelegd dat ik rondingen heb. Gelukkig wel op de daarvoor bestemde plekken. Dus ja, ook ik eet thuis weleens een salade. Voor de broodnodige balans. Waar ik echter helemaal panisch van word, is dat ik tegenwoordig ook mannen op kantoor aantref met een bak groenvoer. Die daar, heel vreemd, meestal wat lusteloos op zitten te kauwen. Met een diepbedroefde blik. ‘Mijn’ mannen in Groningen vreten tijdens de lunch hamburgers. Met friet. En het zijn atletisch gebouwde mannen. En oké, ook een enkeling met een niet echt acceptabele B-cup. Misschien dat zij ’s avonds thuis samen met het gezin aan een trog moeten plaatsnemen om het pas gemaaide gras weg te kanen. Maar daar heb ik dan gelukkig geen last van. Ik wacht op het moment dat een groenvoerman in Amstelveen mij gaat vragen of zijn kont ook te dik lijkt in de broek die hij draagt. ‘Nee schat, die broek is te klein voor jouw kont.’ Try me.

Familiedag

minion familyEr zijn families die ieder jaar vol enthousiasme een familiedag vieren. Gezellig met elkaar een dagje uit of, als het erg tegenzit, een heel weekend. Ik heb mijzelf altijd gelukkig geprezen dat ik niet tot zo’n familie behoor, ik houd niet van die verplichte gezelligheid. Nu kom ik mijn familie tegenwoordig alleen nog maar tegen bij crematies en ik moet toegeven dat dat niet de meest ideale omstandigheden zijn. Je kan dus wachten op het moment dat meer mensen dat gevoel hebben en iemand vanzelf gaat brullen dat we een familiedag moeten organiseren. En jawel, vorige maand kwam dat moment voorbij en voordat ik het in de gaten had, was er ook al een datum gepland. Zaterdag 22 augustus was de heuglijke dag. Plaats van het feestgedruis: familiepark Nienoord in Leek. Een speeltuin. Voor kinderen. Living hell, waarom hebben wij zoveel peuters en kleuters in de familie? En waarom moet ik, de kinderloze, daar onder lijden? Zelfs de agenda in mijn Samsungetje zag de bui al hangen, de autocorrectie noteerde heel braaf een familiedrama in Niet Oort te Leek.

Met lood in de schoenen stapte ik op zaterdagmiddag in de auto, mijn ouders veilig ingesnoerd achterin. Het kinderslot geactiveerd, want je weet maar nooit of ze de autogordel toch zelfstandig los kunnen krijgen. Als eersten aanwezig, altijd goed voor een paniekmoment bij mijn ouders, want waar is de rest van de familie. “Half 2 is half 2 en het is bijna half 2, waar blijven ze.” Vaders in een sukkeldrafje terug naar de parkeerplaats om de kudde bijeen te drijven. Het is bij tijd en wijle net een bordercollie, die vader van mij. Vervolgens chaos bij de kassa. Groepskorting, want wij zijn met ons 28-en, allemaal apart afrekenen en het liefst contant. Want van de kassadame mag er maar één pinnen, anders raakt de boel in de war. Heerlijk efficiënt, ik houd er van. Maar eenmaal binnen de poorten hebben wij ons prima vermaakt. Vaderlief is tot onze grote vreugde nog in het water gedonderd. Eigen schuld, als man van bijna 80 kan je niet meer als een jonge god op een evenwichtsbalk gaan huppelen. De achterneefjes en –nichtjes in de zoveelste graad blijken allemaal heel lief te zijn en ik heb maar één potentiële kandidaat gezien die mijn titel van ‘Meest ondeugende en ondernemende kind van de familie’ kan overnemen. Bijna twee, maar hij heeft alle kwaliteiten in zich om na bijna 50 jaar de kroon van mij over te nemen. De dag hebben we afgesloten met een etentje en ik moet bekennen dat ik, ondanks mijn jeukerige gevoelens over het fenomeen Familiedag, een gezellige dag heb gehad. Want ik heb best wel een hele leuke familie en dat kan lang niet iedereen zeggen. Ik denk dat ik ze maar houd.

Stoepliefde

Bamberg, DuitslandEen van de geneugten van het wonen in mijn stad is dat je, als je ’s ochtends vroeg naar je werk fietst, met enige regelmaat uitgelaten studenten tegenkomt. Onderweg naar hun studentenkamer om de roes van een nachtje doorhalen in de kroeg uit te slapen. Zo ook een week geleden, met dank aan het lustrumfeest van een studentenvereniging. Omdat ik zelf nog niet helemaal wakker was om kwart over zes, vielen mij de eerste tekenen van een groots feest niet op. Bij de muziek die uit een open raam schalde, dacht ik wel eventjes aan een afterparty en vroeg ik me af wat de buren in de Herman Colleniusstraat daar wel niet van vonden. Ik werd pas echt wakker toen ik iets verderop de Nieuwe Blekerstraat inkeek. Hangend/zittend op de stoeprand een jongen, zijn schamele bezittingen om zich heen verspreid. Schrijlings op hem zat een meisje, zich nog even goed nestelend op zijn schoot, hem fanatiek te kussen. Zelden iemand een ander zo intens zien zoenen. En mijn god, wat was hij zat. Hij liet haar letterlijk over zich heen komen. En ik hoopte dat ze condooms bij de hand hadden, hoewel hij volgens mij niet meer tot grote daden in staat was. Behalve slapen of zich laten zoenen door een leuk meisje. En of het nu slapen, zoenen of een andere activiteit zou worden, ik hoopte dat ze een iets comfortabeler plek dan de stoep zouden opzoeken.
De stoep iets verderop, die van de A-weg, werd in beslag genomen door een ander, mogelijk aankomend, stelletje. Beide jongens waren enthousiast aan het afscheid nemen en de één deed toch duidelijk een poging om te zoenen. De ander was er nog niet helemaal over uit of dat wel zo’n goed idee was, waardoor de omhelzing uitliep op het elkaar onhandig op de rug slaan onder het uitroepen van het woord ‘kerel’. Ik vond het schattig. Voordat ik het wist, zat ik in de trein te mijmeren over prille liefde en vroeg ik me af of condooms ook slecht zijn voor het milieu. Maar dat laatste is een heel ander verhaal, ingegeven door een gesprek met iemand over plastic. Het is beter om te mijmeren over de liefde, en om een klein beetje jaloers te zijn op de intensiteit van dat ene meisje.