Thuiswerken

De zaterdagochtend is mijn favoriete moment van de week. Dan ontvang ik een papieren krant die ik,  onder het genot van meerdere koppen koffie, van A tot Z (of Q) lees. Oftewel, ik lees bijna alles maar ik blijk minder geïnteresseerd in economie, wetenschap en, vreemd genoeg, sport. Ook de advertenties sla ik met liefde over, al zijn de paginagrote advertenties van Rijksoverheid nauwelijks over het hoofd te zien. Was ik al verbaasd over Sanne die in haar lunchpauze de hond uitlaat in het bos en dat een goed moment vindt om aan de telefoon bij te praten met een collega (mens, geniet toch van je rust en gun een ander ook die rust!), de advertentie van afgelopen zaterdag was helemaal vaag. Onder het mom van ‘thuiswerken, we worden er steeds beter in’, krijgen we nu Rutger met zijn gitaar voorgeschoteld. Want Rutger maakte naast een fijne werkplek, ook een fijne niet-werkplek in zijn huis. In het pré-Corona-tijdperk heette dat gewoon de woonkamer met loungebank of de slaapkamer met een lekker bed. Ik kan daar nog uren over doorgaan, maar de boodschap van Rijksoverheid is helder: ga vooral thuiswerken! Best, maar dan snap ik niet dat voor diezelfde overheid blijkbaar andere regels gelden.

Iets verderop in de krant lees ik namelijk dat in de monumentale tuin van het Catshuis een ’tijdelijk’ kantoorpand van vijf verdiepingen wordt gebouwd voor ambtenaren van het ministerie van Algemene Zaken. Nog even afgezien van het feit dat er veel kantoorpanden leegstaan en het dus niet nodig zou moeten zijn om een nieuw pand te bouwen, is vooral de vraag waarom deze mensen hun werk niet thuis kunnen uitvoeren. Wat doet dat ministerie eigenlijk? Volgens de website van Rijksoverheid doen ze dit: ‘Algemene Zaken is het ministerie van de minister-president. Het ministerie houdt zich bezig met de coördinatie van het algemeen regeringsbeleid en van de overheidscommunicatie. Ook verzorgt het departement de voorlichting over het Koninklijk Huis.’ Coördinatie? Kan vanuit huis. Communicatie? Kan vanuit huis. Voorlichting? Kan vanuit huis. Of zijn al die ambtenaren van belang voor het lekken van alle informatie die in het Catshuis is besproken, zodat iedere persconferentie van de minister-president eigenlijk overbodig is? Hebben ze geen integriteitsverklaring ondertekend of zo?

Hoe dan ook, ik vind dat de ambtenaren van Mark Rutte heel goed kunnen thuiswerken. Het ministerie van SZW heeft daar een mooie website voor: https://www.hoewerktnederland.nl/onderwerpen/thuiswerken Heel handig, ook voor ambtenaren.

Songfestival

In den beginne was ik helemaal verslingerd aan het Eurovisie Songfestival, toen je nog één avondje in het jaar een overzichtelijk aantal deelnemers voorgeschoteld kreeg. Met de jaren kregen we er steeds meer deelnemende landen bij, waardoor ze op een gegeven moment zijn begonnen met twee voorrondes. Omdat met het aantreden van die ‘nieuwe’ landen het hele festival transformeerde tot een fout circus van schreeuwers, jongleurs, bakkende baboesjka’s en zingende kalkoenen, vond ik er eigenlijk niet heel veel meer aan en keek ik alleen nog naar de finale. Maar dit jaar heb ik beide voorrondes gezien en vond het, tot mijn grote schrik,  leuk. Waarom eigenlijk?

De presentatie

Kijk, het is in eigen land en een beetje Nederlander vindt dat best wel leuk, maar maakt zich van tevoren ook ernstig zorgen of we ons voor de hele wereld niet voor lul zetten. Ergens staat me bij dat vorig jaar menig mens de gekozen presentatoren maar niks vond. En ik geef toe, ik had ook mijn bedenkingen. Maar man, wat zijn ze goed. Nikkie is de absolute ster, wat een heerlijke vrouw. Edsilia is lekker spontaan en volkomen zichzelf en Chantal is een echte professional. De rust die ze had in de eerste voorronde toen Ierland de boel liep te vertragen omdat er nog een boom gefiguurzaagd moest worden op het podium. (ze hadden zich beter kunnen concentreren op het lied, maar dit geheel terzijde). En Jan? Jan was in de tweede voorronde minder overbodig dan in de eerste voorronde.

Music first

Goed, ik had me dus voorgenomen om, geheel tegen de eigen traditie, de voorrondes te bekijken.  We begonnen op dinsdagavond met Litouwen met een man in een felgeel pak en ik zag de bui al hangen. Maar wat was het een leuk optreden, werd er meteen vrolijk van! Het werden twee avonden van goede nummers, fijne performances , liedjes van dertien in een dozijn en nummers die je meteen moet vergeten. Met ‘Ma Ma Ma Mata Hari’ kan ik bijvoorbeeld helemaal niks. De donderdagavond werd afgesloten met een Deens heerschap dat het roze jasje van Sandra Kim had geleend. (Ze had toch een roze jasje aan? Of was het een roze broek?)

Ik kan na die twee avonden niet zeggen dat ik een absolute favoriet heb. Portugal en Zwitserland hebben mooie liedjes, het nummer van Finland en Malta vind ik lekker, Oekraïne, Rusland en San Marino verrassend en IJsland gewoon fijn. Hooverphonic (België) is te goed voor het Songfestival, maar staat gelukkig wel in de finale. ‘Ons’ lied van Jeangu kende ik tot deze week nog niet, maar vanochtend werd ik wel wakker met  ‘yu no man broko mi’ in mijn hoofd.  Blijft dus lekker hangen, maar zal geen winnaar zijn.

Kleding

Vroeger keek ik altijd naar de mooie jurken, nu kijk ik of zo’n jongedame (of een ander personage) überhaupt wel een jurk of een ander kledingstuk aanheeft. Less is more is niet altijd goed. Ik vraag me altijd af hoe zo’n outfit wordt gekozen. ‘Mag ik naakt optreden?’ ‘Nee, dat is tegen de regels.’ ‘Maar ik heb lang haar.’ Dit jaar is de keuze vaak gevallen op te kort, te zilver en te veel inkijk. Seks verkoopt, maar hoeveel hetero mannen kijken eigenlijk naar het festival?

Nederland promotie

Het enige onderdeel van het hele Songfestival waarover ik mijn twijfels heb, zijn de ‘promotiefilmpjes’ die voor ieder lied worden getoond. Bij andere landen heb ik altijd het idee dat vooral de mooie kanten van een land worden belicht, zodat je meteen naar dat land op vakantie wil. Ik kan me nu niet voorstellen dat de kijkers in andere landen meteen naar Nederland willen afreizen.. Natuurlijk is er aandacht voor gaststad Rotterdam en het altijd aanwezige Amsterdam (Nederland is echt meer dan Amsterdam), maar wat moet je nou met beelden van een zandafgraving bij Heerlen? Mag toch hopen dat Heerlen meer te bieden heeft dan een zandbak. ‘Günther! Dieses Jahr machen wir Ferien in Heerlen, so schön ist es da!’ Nee, hier slaat men de plank toch een beetje mis.

Tuinieren

Het zal in de zomer van 2008 zijn geweest dat Man en ik bedachten dat ons huis en de bijbehorende tuin wel de nodige aandacht verdienden. Klussen én tuinieren vielen echter niet onder onze favoriete bezigheden, zodat we besloten om maar te gaan verhuizen. Lekker naar een nieuwbouwappartement met een ruim balkon op een plek waar we samen oud zouden worden. Helaas besloot het lot anders, Man werd niet oud en opeens was het huis een plek waar ik niet in mijn eentje oud wilde worden. Er zat niets anders op om onze plek te verkopen en elders een nieuwe plek voor mezelf te vinden.

Een jaar geleden begon mijn zoektocht. Ik was op zoek naar een leuke bovenwoning met een balkon of dakterras. Nu heb ik een voorliefde voor oude(re) woningen en heb ik ook daadwerkelijk twee hele leuke huizen bekeken die voldeden aan mijn wensen. Alleen, beide woningen hadden een enge, steile trap en ik zag mezelf al met mijn krakkemikkige lijf onderaan die trap liggen. Dus deze twee huizen vielen meteen af. Huis nummer drie was oud, verbouwd, lag op de begane grond, had een tuin en lag op een plek waar ik wel (enigszins) oud kan worden. Kortom, huis gekocht en inmiddels woon ik  zo’n 9 maanden op mijn nieuwe plek. Nu is het huis wel verbouwd, maar er zijn nog genoeg klusdingen te doen. En daar waar mijn buren van die betegelde tuintjes hebben, heeft mijn tuin het nodige groene gedoe. Planten, struiken, bomen en onkruid.

Mensen die oreren dat tuinieren heel rustgevend is, begrijp ik niet. Ik heb een hekel aan tuinieren, na een kwartier bladeren bijeenharken, ben ik er al zat van. Als Man nog had geleefd, dan hadden we zeer zeker geen huis met een tuin gekocht. Hij was altijd erg duidelijk als het over tuinen ging: ‘Asfalteren die bende!’ Maar goed, ik heb dus een tuintje en dat moet onderhouden worden. Een kleine twee weken geleden was het een paar dagen warm weer, ik zat in mijn tuin en constateerde dat het toch wel een wat rare tuin is. De aarde zit vol met kiezelstenen, schelpen, glasscherven en andere zooi. Het lijkt alsof de vorige bewoner gratis tuinaarde van de vuilstort heeft opgehaald. Maar er staan een paar prachtige struiken, er ligt mos en groene aanslag op de tegeltjes, her en der komen er narcissen naar boven en staat er een plantje dat ik, na het tellen van de blaadjes, als zevenblad heb geïdentificeerd. Dat is een onkruid, maar zoals een wijze vrouw onlangs zei is ‘onkruid in the eye of the beholder’.  Het zevenblad staat heel leuk rondom de berk, dus voorlopig mag het blijven. Al was het alleen maar omdat ik nog geen zin heb om de schoffel uit te proberen.

Briefstemmen

Het is mooi dat we in deze rare tijden de 70-plussers de gang naar het stembureau willen besparen en ze de mogelijkheid bieden om per brief te stemmen, maar of het nu zo’n goed idee is? Ik betwijfel het.

Het begon een week geleden met een telefoontje van mijn vader die oprecht verontwaardigd was over de hoeveelheid papier die hij van de gemeente had ontvangen. Een stempas en zo’n lijst en hij zou ook nog een retourenvelop gaan ontvangen. Hij vond het belachelijk en zou óf naar het stembureau gaan óf helemaal niet gaan stemmen. Ik besloot naar Groningen af te reizen om de papierwinkel te aanschouwen. En inderdaad, het was een behoorlijk pakket papier. Bij de stempas zat een brief met een uitleg over de drie mogelijkheden om te stemmen, inclusief een gezondheidscheck: ‘Snottert u of rochelt uw huisgenoot, ga dan niet naar het stembureau.’ In een tweede envelop zat een vuistdikke kandidatenlijst en in de derde envelop het briefstembiljet plus een met plaatjes uitgerust stappenplan en twee enveloppen.

Met het stappenplan in de hand en het stembiljet als een tafellaken uitgespreid op de eettafel, heb ik mijn vader door het stemproces weten te leiden. Eerst moest er een keuze worden gemaakt uit het enorme aanbod aan partijen. Niet dat dat lastig was, mijn vader stemt meestal op dezelfde partij.
‘Heb je nog een voorkeur op wie je wilt stemmen?’
‘Staat deze naam op de lijst? Ja? Kruis die maar aan dan. Welke kleur pen moet je gebruiken?’
‘Het mag met elke kleur.’
Het hokje voor de naam van de voorkeurspersoon ingekleurd en dan begint het enveloppenfeest. Het biljet mag alleen in de envelop met de tekst ‘briefstembiljet’ worden gestopt en daarna moet de envelop worden dichtgeplakt. Dan moet er een handtekening, op de juiste plek, op de stempas worden geplaatst. Daarna moet de briefstembiljetenvelop en de stempas samen in de retourenvelop worden gestopt. Die envelop is weliswaar twee vierkante millimeter groter dan die andere envelop, maar het is toch lastig proppen. Wederom een envelop dichtplakken en klaar. Denk je. Maar nee, er is nog een laatste stap op het stappenplan die de nodige onduidelijkheid met zich meebrengt.

‘Zorg dat uw briefstem voor woensdag 17 maart 21.00 uur aankomt. Doe uw briefstem voor vrijdag 12 maart 17.00 uur op de post.’
‘Moet ik het nu voor de 17e of voor de 12e op de post doen?’
‘Doe maar gewoon voor de 12e, dan komt je stem op tijd aan. Maar je hebt ook de mogelijkheid om de envelop in te leveren bij een afgiftepunt. Die afgiftepunten staan op de website van de gemeente.’
‘Ik heb geen wwwpunt en de buurvrouw ook niet!’  Er volgt een opsomming van alle buren in de bejaardenflat die geen internet hebben. Ondertussen googelt (!) mijn vader op zijn tablet naar het antwoord op de vraag of Mahi ooit voor FC Groningen heeft gespeeld (ja, 2014-2019).
‘Toch heel handig dat Google, je vindt van alles.’
‘Je weet dat Google ook internet is?’
‘Ja, maar de rest heb ik gewoon niet.’
Iets later vraagt mijn vader op welk papier hij nee/nee/nee moet invullen. Hij blijkt de gezondheidscheck te bedoelen. ‘Dat hoeft niet, je gaat immers niet naar het stembureau en tegen de brievenbus mag je gewoon hoesten. Zonder mondkapje.’ Ik ben blij dat ik gewoon naar het stembureau mag.

Sneeuw

De winter van 1979. Ik zat in de brugklas en ik herinner me dat de school dicht was. Niet zozeer omdat de kinderen uit Stad (Groningen) niet op school konden komen, maar meer omdat de kinderen uit de omringende dorpen de stad niet konden bereiken vanwege de enorme sneeuwval. Dorpen in het noorden van het land waren van de buitenwereld afgesneden. Mensen raakten ingesneeuwd in hun auto, treinen zaten vast in sneeuwduinen van 3 tot 6 meter hoog en het leger werd ingezet om de wegen vrij te maken. In sommige dorpen viel de stroom uit en dus ook de centrale verwarming. Voor een 13-jarige is zo’n periode vooral spannend en realiseer je je niet welke problemen een zware sneeuwstorm met zich meebrengt. Sneeuwvrij van school is fijn en zo’n berg sneeuw ziet er gewoon mooi uit. Vanuit het huis, want ik was én ben een huismus die liever met een goed boek, een kop thee en een plaid op de bank ligt.

42 jaar later. Op zaterdag wordt een code rood afgegeven voor de volgende dag omdat er een sneeuwstorm onze kant opkomt. Reden voor een deel van de Nederlandse bevolking om te zorgen voor lege schappen in de supermarkten, alsof de sneeuwstorm minstens zes maanden gaat aanhouden. Het kan zijn dat ik te nuchter of te naïef ben, maar het komt niet eens in me op om te gaan hamsteren. Er is geen enkele reden om te denken dat we nu in The Day After Tomorrow-taferelen terecht gaan komen. (je weet wel, die rampenfilm waarin een tsunami New York overspoelt en dat daarna de boel in sneltreinvaart dichtvriest) Welnee, we gaan gewoon een paar dagen van Hollands ongemak tegemoet.

Het is zondag en er ligt inderdaad een pak sneeuw in mijn tuin. Het ziet er buitengewoon guur uit met die opstuivende en rondwervelende sneeuw, de wind zorgt voor kleine duinen tegen de ramen en muren. Op straat laten mensen hun kinderen uit en, in een enkele geval, hun hond. Er wordt opgeroepen om vooral de weg niet op te gaan met de auto of fiets, omdat het spekglad is. De enige reden die ik kan bedenken om toch met de auto of fiets onderweg te zijn, is omdat je naar je werk moet of dat er sprake is van een noodsituatie. Met die gedachte in mijn achterhoofd kijk ik met interesse naar de rode auto die voor mijn huis geparkeerd staat. Naast de auto staan een vader, een moeder en een kind met een slee.  Blijkbaar zijn ze van plan om een uitstapje te gaan maken. Het kind is enthousiast en kan niet wachten om zijn slee in gebruik te nemen. De moeder is ondertussen driftig bezig om de auto te ontdoen van sneeuw en ijs. De vader kijkt toe en straalt vooral uit dat hij werkelijk geen zin heeft om ook maar ergens heen te gaan. Om zijn vrouw te pesten, meldt hij dat pas op het moment dat ze klaar is met het krabben van de ruiten. Er ligt immers voldoende sneeuw in de eigen omgeving om de slee te gebruiken. De vrouw werpt haar man een ijzige blik toe, het valt me mee dat ze de ijskrabber niet in zijn voorhoofd plant. Het kind vindt alles best, zolang hij maar op de slee wordt rond gesleept. En zo geschiedde.

Hoe dan ook, tot nu toe kan de winter van 2021 niet tippen aan die van 1979. En dat hoeft van mij ook helemaal niet.

Winter in Den Haag, 7 februari 2021

Taboe

Het was op een woensdag in september, een van de schaarse momenten die ik in het jaar tweeduizendtwintig op kantoor heb mogen doorbrengen, dat mijn oog viel op een intranetbericht. De precieze titel weet ik niet meer, maar het betrof een workshop over het omgaan met het taboe rondom de overgang. Hoe goed bedoeld ook, ik word altijd wat recalcitrant van dit soort activiteiten. Ik draaide mij om naar leeftijdsgenoot G. om te vragen of wij behoefte hebben aan een dergelijke workshop. ‘Welnee, wat een onzin! Deal with it’, was haar reactie. Bovendien herkenden wij de taboesfeer van de overgang niet, wij praten daar gewoon over. Ook in het bijzijn van mannen. Hoe vaak het niet voorkomt* dat een collega in halfnaakte toestand haar hoofd uit het raam probeert te steken om wat frisse lucht over het verhitte lichaam te laten waaien, om vervolgens een half uur later, gehuld in thermokleding en 26 sjaals om het hoofd gewikkeld, tegen de verwarming aangeplakt zit. Dus nee, geen taboe. Iedereen ziet het en weet wat er aan de hand is.

Wat dan wel weer een taboe is, is de vaginale schimmel. Volgens de reclame hebben veel vrouwen weleens last van vaginale schimmels. Niet een paar vrouwen, maar veel vrouwen. En weleens klinkt alsof ze het vaker dan één keer krijgen. En als het dus veel vrouwen zijn, dan moet ik er toch zeker een paar kennen. Ik ken er geen een. Dit kan betekenen dat ik mij in een schimmelvrije vagina-zone bevind of dat de vrouwen in mijn omgeving hun schimmels geheim houden. Statistisch gezien moet het laatste helaas het geval zijn. Maar hoe herken je iemand met zo’n jeukerige en branderige schimmel? Krabben ze zich vaker in het kruis of schuiven ze ongemakkelijk heen en weer op hun zetel? Of zitten ze met een ventilator tussen de benen en gebruiken ze een plantenspuit om enige verkoeling in de verhitte omgeving aan te brengen? Ik heb werkelijk geen idee en misschien is dat maar goed ook.  Al zijn de oorzaken van zo’n infectie vaak heel onschuldig, ik hoef echt niet alles te weten van iemands ongemakken. Of het nu over een schimmel gaat, overmatig viagra-gebruik of aambeien; soms is een taboe nog niet zo gek.

* In het pre-coronatijdperk

Smartwatch

Ik ben in het bezit van meerdere horloges, maar ze hebben óf een nieuwe batterij óf een nieuw bandje nodig. Voor batterijen en bandjes ging ik altijd naar meneer Kronos in Groningen en ik heb in Den Haag nog geen nieuwe meneer Kronos gevonden. Bovendien zijn alle niet-essentiële winkels dicht, dus het heeft weinig zin om nu naar de perfecte horlogeman (of vrouw) te gaan zoeken.  Maar omdat ik wel graag een deugdelijke horloge om de pols wil hebben en omdat ik door het thuiswerken te weinig beweeg, leek het mij een zinvolle gedachte om een smartwatch aan te schaffen. Eentje zonder al te veel toeters en bellen, een stappenteller zou voldoende zijn. Dacht ik. Mijn favoriete webshop blijkt alleen smartwatches van het uitgebreide soort te hebben en uiteindelijk valt de keuze op een horloge dat leuk bij mijn smartphone past.

Het ding wordt in de laatste week van 2020 bezorgd en het is meteen feest als ikzelf het bandje mag bevestigen. Na tien minuten priegelen en schelden is het bandje eindelijk bevestigd. Ik maak een keuze uit een verscheidenheid aan wijzerplaten en dan ben ik er al zat van. Op oudjaarsdag fiets ik naar het leukste eetcafé van Den Haag om bieroliebollen te kopen en bij thuiskomst blijkt dat het horloge zelf heeft bepaald dat ik heb gefietst en dat ik daarmee een aantal calorieën heb verbrand. Gelukkig kan het ding niet ruiken dat ik oliebollen heb gekocht. Het bemoeit zich ook overal mee. Zit je te lang te werken dan krijg je enge vibraties aan de pols en de mededeling dat het tijd is om te bewegen. Een pluspunt is dat hij (het is echt een hij) met weinig  tevreden is, een paar stappen richting de koelkast levert je al de reactie ‘perfect!’ op. Ik begin het een leuk horloge te vinden, nu nog wat meer bewegen.

Op 4 januari is het ‘eindelijk’ zover; Marita zet het vermoeide lijf aan het werk. In de lunchpauze wandelen naar de bakker en na het werk een wandeling naar de bloemist. Zeventig minuten, 7407 stappen en een regenbui verder en ik herinner me weer dat wandelen niet echt mijn ding is. Ik krijg werkelijk geen energie van een stom blokje om en zeker niet als het miezerig en koud weer is. En ik moet een écht doel hebben: een museum, de bibliotheek, het filmhuis, een terras, strandtent of restaurant. Bovendien vind ik het wel een prettig idee als ik onderweg naar ergens de mogelijkheid heb om naar een toilet te kunnen gaan. Dus zolang het hele sociale leven op zijn gat ligt, blijft deze vrouw met haar smartwatch thuis. Dat moge duidelijk zijn.

Moeder

Mijn moeder was de leukste, de liefste, de vrolijkste, het spontaanste van allemaal.  Nu zullen veel mensen dat zeggen over hun eigen moeder, maar dat interesseert me niet. De mijne was de leukste en nu moeten we haar missen. Je weet dat er ooit een moment komt dat je afscheid moet nemen van je ouders, maar zo’n moment komt altijd te vroeg. In het geval van mijn moeder kwam dat moment ook behoorlijk onverwacht. Naast al het geregel dat een overlijden met zich meebrengt, proberen we als familie de mooie herinneringen op te halen. Of zoals zo mooi op een condoleancekaart geschreven stond: “Er is niets dat voorgoed verdwijnt, als men de herinnering bewaart.”  De afgelopen dagen hebben we veel gehuild maar ook veel gelachen, omdat mijn moeder nu eenmaal een geweldig vrolijk mens was met veel humor. Ik heb duizenden mooie herinneringen aan mijn moeder, een paar daarvan wil ik graag met jullie delen.

Herinneringen

Als mijn broer en ik uit school kwamen, zat ze klaar met een kopje thee en een koekje. Wij vonden dat fijn, zo’n moeder die er altijd was. Op de camping hadden onze drie achternichtjes ook elke dag een thee-uurtje met tante Geertje, die eigenlijk een derde oma voor de dames was.

De deur stond altijd open, iedereen was welkom. Met Oud & Nieuw zat bij ons het huis altijd vol.

Mijn moeder kon enorm de slappe lach hebben. Het kwam voor dat ze me opbelde omdat ze iets leuks wilde vertellen en dat ik door de schaterlach werkelijk geen idee had wat ze precies had meegemaakt. Wel had ik zelf de slappe lach gekregen.

Toen we klein waren, zette mijn moeder ons rustig voor een film met kannibalen. Als we in de dagen daarna vervelend werden, zei ze altijd: ‘als jullie nu niet ophouden, vreet ik jullie op.’ Dat vonden wij toch best wel heel erg eng.

Mijn moeder was creatief, ze schilderde graag landschappen. En ze hield enorm van zingen. Als mijn vader en ik naar voetballen waren, bleven zij en mijn broer thuis om muziek te maken. Ze kon ook een gemeen stukje mondharmonica spelen, al kan ik me alleen herinneren dat ze ‘Roodborstje tikt’ uit die harmonica kon krijgen.

Mijn broer en ik kennen van geen enkel kinderliedje de oorspronkelijke tekst, want mijn moeder maakte haar eigen teksten.

Mijn moeder had voor veel mensen een bijnaam, van Winnetou tot Mina Rukwind.

Mijn moeder sprak geen Frans, maar stapte rustig in Parijs met tante K. in het kielzog op de metro. Ze wilde kaartjes kopen om naar de ‘Eiffeltower’ te gaan, maar de loketbediende begreep haar pas na het nodige handen-en-voetenwerk. Hij: ‘Aaah, Tour Eiffèl!’. Mijn moeder: ‘ja, wat dacht jij dan, kloothommel.’  

Mijn moeder was stapelgek op haar twee kleinkinderen en ‘kleinhond’ Bo. En alle drie waren ze stapelgek met haar.

Potpourri

Mijn moeder hield van muziek en hield van verschillende genres. Jaren geleden hebben we ooit eens gevraagd welke nummers zij tijdens haar uitvaart gespeeld wilde hebben en ze noemde zoveel nummers op, dat ze zei ‘dou mie moar een potpourri’. Uiteindelijk hebben we een groot deel van haar lievelingsnummers tijdens de uitvaart kunnen draaien, waaronder Blue eyes cryin’ in the rain van Willie Nelson:

“In the twilight glow I see them
Blue eyes cryin’ in the rain
When we kissed goodbye and parted
I knew we’d never meet again

Love is like a dyin’ ember
Only memories remain
Through the ages I’ll remember
Blue eyes cryin’ in the rain”

Loodgieter

Loodgieter. Ik heb het altijd al een ietwat dubieuze beroepsgroep gevonden. Toegegeven, er bestaan prima loodgieters maar het duurt eventjes voordat je die hebt gevonden. Nu kan ik een heel verhaal gaan ophangen over die ene loodgieter die jaren geleden, starend naar de oude riolering die onder ons huis doorliep, de legendarische woorden ‘wel het dat doan’ (wie heeft dat gedaan) uitsprak. *  ‘Geen idee man, we waren er niet bij.’ Maar dan wordt het een hele lange blog, dus voor nu laat ik het bij mijn recente ervaringen met het fenomeen loodgieter.

De mensen die mij kennen of volgen, weten dat ik onlangs een leuk huis heb gekocht. Een oud huis, maar wel eentje dat volledig verbouwd is. Voor de kenners: zo’n Funda-huis. Helaas bleek op dag 1 al dat er ergens iets niet goed zit in het huis. Uit de wastafel komen angstaanjagende geluiden zodra de bovenburen de wasmachine aan hebben staan. Het is net alsof ik in een golfslagbad woon en iemand standje ‘tsunami’ heeft aangezet, met als gevolg dat er kots-en-klots-geluiden uit de badkamer komen. Heel luid. Ik heb een poging gedaan om aan de geluiden te wennen, maar toen de herrie ook in de keuken uit de afvoer kwam, werd het tijd om actie te ondernemen. Dus op zoek naar een loodgieter in mijn nieuwe woonplaats.

Met behulp van Google maak ik een keuze uit de vele loodgieters die Den Haag rijk is. De website van de loodgieter heeft een online formulier en belooft dat je binnen een uur wordt teruggebeld. Uit beroepsmatige interesse vul ik het formulier in en wacht gespannen op een telefoontje. Een uur blijkt een rekbaar begrip en heb ik na drie dagen zelf maar gebeld.
‘O ja, ik zie dat wij u nog moeten terugbellen. Heeft de klus veel haast?’
‘Nee.’
‘De planner belt u morgen voor het maken van een afspraak.’
De planner belde inderdaad de volgende dag en we maken een afspraak voor de maandag tussen 9 en 12 uur. ‘Ze bellen een half uur van tevoren.’

Het is maandag en natuurlijk komt er niemand opdagen tussen 9 en 12. Om kwart over 12 bel ik zelf maar. ‘Sorry, maar de werkzaamheden lopen uit. Maar we komen vandaag echt hoor, we bellen een half uur van tevoren.’ Ergens had ik op dat moment al het gevoel dat er niemand meer zou komen en helaas klopte mijn voorgevoel. Volgende dag maar weer eens gebeld:
‘Oh, is ‘ie niet geweest? We hebben het ook heel druk en er is wat privé-gedoe. Maar we laten we een afspraak maken voor volgende week maandag.’ Dacht het niet en toen ik aangaf dat ik liever iemand anders wilde bellen, gaf de man me groot gelijk. (!)

Na nog een ervaring met een niet-terugbeller, heb ik de buren gevraagd om een betrouwbare loodgieter. En het lijkt erop dat ik nu een betrouwbaar bedrijf heb getroffen. Is het probleem nu opgelost? Nee, maar er is in ieder geval geen sprake van een verstopping. Het lijkt erop dat de pretletters die het huis hebben verbouwd, bij de aansluiting van de nieuwe keuken iets geks hebben uitgespookt. Om te bekijken wat ze precies hebben gedaan, moet de loodgieter in de keuken onder de vloer kijken. Laten die pretletters nou het luik hebben verstopt onder de nieuwe vloer. Kortom, ik moet nog een luik laten zagen. Wordt vervolgd.

* Bert Visscher heeft ook ooit eens zo’n wel-het-dat-doaner over de vloer gehad. Toen ik de show in de Stadsschouwburg van Groningen zag, bracht het de nodige herinneringen naar boven. Hilarisch! https://www.youtube.com/watch?v=80yC2kPHm6o

Trouwdag

We deden eigenlijk nooit veel aan onze trouwdag. Meestal waren we op die dag op vakantie en gingen we lekker uit eten. Net als op alle andere dagen van de vakantie trouwens. Vorig jaar zouden we onze trouwdag vieren in Dubrovnik, maar het lot besliste anders. Ik herinner me dat ik het een ongekend moeilijke dag vond. En dit jaar? Dit jaar zat ik op 3 september bij de notaris om een handtekening onder mijn testament te plaatsen. Altijd handig om te hebben, zo’n testament, als weduwe met een eigen huis in Den Haag.

Het was een grijze en natte dag, afgelopen donderdag. Toen ik het pand van de notaris verliet met een afschrift van het testament in de tas,  bekroop me het gevoel dat ik deze dag toch moest vieren. We zijn bijna 20 mooie jaren samen geweest en al die fijne herinneringen moet je blijven koesteren, al brengt het ook het nodige verdriet met zich mee. Dus op onze 17e trouwdag heb ik gebakjes gehaald bij de bakker en mezelf getrakteerd op een vrolijk boeket bloemen. Jacco draaide op donderdag altijd een avonddienst en ging daarna een vette hap halen. Nu wil ik die traditie niet adopteren, maar op mijn trouwdag vond ik het prima om aan de patatten en de kroketten te gaan. Weliswaar niet van cafetaria De Viersprong en ook niet zo goed, maar met een goed glas wijn valt alles weg te spoelen.

Al met al ben ik de dag goed doorgekomen, maar de moeilijke dagen blijven. De afgelopen periode was sowieso lastig met het regelen van twee verhuizingen. Ik vond het nogal confronterend om in m’n eentje tussen de restanten van een gezamenlijk leven te zitten. Maar langzamerhand begin ik mijn draai te vinden in mijn nieuwe huis en de nieuwe buurt. Ik heb hele fijne buren en binnenkort hebben we onze eerste borrel, bij mij thuis. Gelukkig heb ik voldoende ruimte en kunnen we met z’n vijven gemakkelijk anderhalve meter afstand van elkaar houden. Vanochtend las ik in de krant de volgende quote van een rouwspecialist: “Rouw verwerk je niet, je overleeft het”. Dat klopt en iedere dag wordt het een heel klein beetje gemakkelijker.