Het Melkmeisje

Eens in de zoveel tijd (jaar) vind ik het leuk om een legpuzzel in elkaar te flansen. Meestal van die landschapsdingetjes, zoals Griekse bootjes in een haven of kleurrijke huisjes aan de Amalfikust. Een bijzonder rustgevende klus die in een paar dagen is afgerond. Je moet ook niet overdrijven met de rust.

Onlangs heb ik in een museumwinkel een puzzel van Het Melkmeisje gekocht, wie kent haar niet. Even iets anders dan zo’n landschap en het werd hoog tijd dat ik de voormalige ‘racebaan op hardboard’ van mijn broer weer in gebruik ging nemen.  Dat stuk hardboard is minstens 45 jaar oud en sleep ik al jaren mee voor mijn puzzelactiviteiten.

Eigenlijk wil ik maar één ding kwijt over Het Melkmeisje: het is een kutpuzzel. Nog nooit meegemaakt dat van de 1000 puzzelstukjes er 943 op alle plekken in de puzzel passen. Het duurt een eeuwigheid voordat je de juiste identieke stukjes puzzel bij elkaar hebt gevonden en daar word ik nou niet bepaald rustig van. Bovendien heeft de puzzelmaker niet de juiste kleuren gebruikt, zo ontdekte ik onlangs in de Oude Kerk van Delft. Daar was een afdruk van het beroemde schilderij van Vermeer te bezichtigen en daar is rood ook echt rood. En zijn blauw en groen ook duidelijk herkenbare kleuren. De puzzel heeft echter de kleur zwart voor zowel rood, blauw als groen genomen. Ik noem dat valsspelen. Tel dat op bij de kwestie van de 943 identieke puzzelstukjes en dan spreek je toch echt over frauduleus handelen.

Hoe dan ook, ik ben nog wel even bezig met het in elkaar timmeren van de zwarte kant van Miss Milk en als ik daarmee klaar ben, dan breek ik haar volledig af en mag ze met haar doos naar de kringloop. Dus dat.

Het Melkmeisje, zoals het Melkmeisje moet zijn. Met frisse kleuren blauw, rood en groen.
“Mijn melkmeisje”, zie hoeveel zwarte stukjes er nog liggen voor de blauwe, rode en groene gedeelten!

Poenie

Het woord van het jaar 2018 is helaas Blokkeerfriezen geworden. Dan kunnen ze in Leeuwarden geweldig bezig zijn geweest als Culturele Hoofdstad van 2018, maar dit woord zet de provincie Friesland weg als een achtergebleven gebied en dat vind ik jammer.
Nee, wat mij betreft zou het woord van 2018 ‘poenie’ moeten zijn. Eindelijk hebben we een gezellig koosnaampje voor het vrouwelijk geslachtsdeel. Mannen kunnen het al tijden stoer hebben over hun piemel of pik, wij vrouwen moesten het doen met onsmakelijke benamingen als voorbips of spleetje en laten we eerlijk zijn, die woorden gebruik je gewoon niet. Punt. Het woord poenie kan je op ieder gewenst op tafel gooien: ‘jullie mannen denken met jullie pik, wij vrouwen daarentegen gebruiken onze hersencellen en hebben poenie volledig onder controle.’

Ik zie ook geweldige mogelijkheden voor de seksuele voorlichting van de jeugd van tegenwoordig. Speelse boekjes met cartoonachtige plaatjes waarbij iedere kleuter, puber of ouder zich iets kan voorstellen. In ieder geval beter dan de seksuele voorlichting die wij vroeger op school kregen met een foto van twee blote mensen die op elkaar lagen, tekeningen van eileiders en zaadcellen en plots was daar een baby. Je moest dan zelf maar zien uit te vogelen hoe het een en ander in zijn werk was gegaan. We hadden werkelijk geen idee. Een buurjongetje heeft zijn ouders gevraagd of ze het niet even voor konden doen, maar dat zagen ze vreemd genoeg niet zitten.

Met een Piemel en Poenie-reeks zou je veel beter op de belevingswereld van het kind kunnen inspelen. Met bijvoorbeeld aansprekende titels als:

  1. Piemel en Poenie spelen doktertje. Je kan hier ook voor het vader-moeder-thema gaan, maar gezien alle variaties die er tegenwoordig in het gezinsleven mogelijk zijn, is het doktertje spelen een veiligere keuze.
  2. Help, Piemel heeft een natte droom.
  3. Help, Poenie heeft bloed.
  4. Piemel en Poenie op Ibiza.
  5. Piemel en Poenie krijgen een baby.
  6. Piemel en Poenie swingen.
  7. Piemel en Poenie hebben een SOA.
  8. Piemel, Poenie en Viagra.

Nu nog een vrijwilliger vinden die mee wil helpen schrijven. Enige affiniteit met de onderwerpen is wel een vereiste, ik heb immers geen enkele ervaring met natte dromen, Ibiza, baby’s, swingen, SOA’s en viagra.

©KRO-NCRV

Kersttrui

Op het werk wordt een oproep gedaan om op 20 december vooral in een kersttrui te verschijnen en daar een foto van te maken, dit in het kader van ‘Wie heeft de lelijkste kersttrui van 2018’. Sommige mensen worden daar danig overstuur van.

‘Marita, wil jij even een blog schrijven over de kersttrui?’
‘Waarom?’
‘Ik vind daar iets van.’
‘En? Ik niet. Als iemand voor lul wil lopen in zo’n lelijke trui moet ‘ie dat vooral zelf weten. Waarom schrijf je zelf niet iets.’
‘Jij kan dat beter.’
Oké, daar valt natuurlijk niets tegenin te brengen.

Zuchtend pak ik het notitieblok en vraag vriend T. om van zijn hart vooral geen moordkuil te maken. Dat was geen enkel probleem.
‘Het is niet esthetisch!’ Ik geloof dat het juist de bedoeling is dat die truien zo onesthetisch mogelijk moeten zijn, maar goed.
Vriend T. raast verder: ‘Het is niet duurzaam en niet verantwoord. Ik verwacht van mijn collega’s meer maatschappelijke verantwoordelijkheid. Die truien worden in elkaar gezet door arme kindertjes in India en China en verkocht door goedkope winkels!’
‘Zoals de Action’, zeg ik enthousiast, wetende dat hij een pesthekel heeft aan die winkel.
‘De Action is een termietenwinkel!’ Daar bedoelt hij waarschijnlijk mee dat het in de winkel krioelt van mensen die op zoek zijn naar koopjes.

Ondertussen loopt er iemand voorbij in een groene onesie met één oog op de capuchon geplakt, het zogenaamde cyclopenpak. Daar zit ook een heel verhaal achter, maar daar wil ik het nu niet over hebben. Wel over het feit dat T. van enthousiasme begint te kirren. ‘Oh, wat een gaaf pak! Dat wil ik ook aantrekken. Ik ga F. vragen of ik het pak mag lenen.’
‘T., lieverd, je denkt toch niet dat dat pak uit het Hugo Boss-rek van de Bijenkorf komt? En niet door zielige kindertjes is gefabriceerd?’
T. kijkt mij verbijsterd aan en weet alleen nog wat gemurmel voort te brengen. De lieverd. Ik denk dat ik een trui voor hem ga breien.

Zo gezegd

Soms vraag ik me af in wat voor soort wereld we leven. Of beter gezegd, er bestaan mensen van wie ik de manier van denken niet kan doorgronden. Van die mensen die vinden dat alleen zij weten hoe het moet en niet openstaan voor andere ideeën en meningen. Ergens in Ohio zit een radiostation dat ‘Baby it’s cold outside’ niet meer wil draaien vanwege het zogenaamde hoge #MeToo-gehalte. Lees de column van Sylvia Witteman van vorige week en u weet hoe het zit. En nu is er een dierenrechtenorganisatie opgestaan, die het onacceptabel vindt dat er nog spreekwoorden en gezegden bestaan waarin het dierenleed gebagatelliseerd wordt. Er wordt een heuse ‘Stop anti-dierentaal’-actie op poten gezet, om ervoor te zorgen dat dergelijke gezegden verdwijnen of worden vervangen door acceptabele varianten. Ik vind het belachelijk, spreekwoorden en gezegden zijn een verrijking van de taal. Er is toch niets mooier dan beeldspraak? Maar goed, ik ben de beroerdste niet en wil best meedenken over diervriendelijke taal. Laten we meteen maar de koe bij de horens vatten.

Als een olifant in de porseleinkast
Dit betekent dat iemand als een lomperik te werk gaat. Nu komt dit bij mij bovendrijven: ‘Als iemand met obesitas in de schappen van de supermarkt’. Met direct dit er achteraan: ‘Halllooo Jumbo!’ Ik denk eerlijk gezegd dat dit  onnodig kwetsend is voor mensen met overgewicht. Dan moeten we het simpel houden. Als een lomperik in de vitrinekast.

Als een vis op het droge
Als iemand met astma in een rokershol.

Vlees noch vis
Bloemkool noch banaan. Of beter, het is geen bloemkool maar ook geen banaan.

Als de kat van huis is, dansen de muizen
Dit lijkt mij voor beide partijen toch een win-winsituatie. Ik zie hier voor zowel de kat als de muizen geen dierenleed ontstaan. Echter, als de kat van huis is, dan is hij buiten. En als hij buiten is, dan vreet hij vogels en ander ongedierte. Tja. Dan maar dit:
Als de vrouw van huis is, ligt de man op de bank voetbal te kijken onder het genot van bier en borrelnoten.

Als een kip zonder kop
Een kip raakt haar kop kwijt als ze wordt geraakt door iemand met een bijl. Zo’n koploze kip gaat dan rondjes rennen totdat ze dood neervalt. Oké, dat is zielig. De gezegde betekent zoiets als dom redeneren of onbesuisd handelen. Goed van toepassing op ieder willekeurige politicus. Het wordt dan wel een heel saai gezegde: Als een politicus redeneren/handelen.

Als een tang op een varken
Dit slaat echt nergens op. Het is wat het is, want dit betekent het. Al sloeg die tang vroeger op het feit dat je een varken niet met een tang kon pakken.

Als er één schaap over de dam is, volgen er meer
Als één iemand iets (nieuws) heeft geprobeerd, durven de anderen ook wel. Is dit iets: Als er één fietser door rood rijdt, volgen er meer.

Als het kalf verdronken is, dempt men de put
Als een kind van het springkussen valt, draaien we het ventieltje los. (van het springkussen, niet van het kind)

Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht
Ik vind vogels eng, dus wat mij betreft blijven die beesten lekker in de lucht. Ik moet er niet aan denken om er eentje in de hand te moeten houden.
Beter één volle fles wijn in de hand, dan tien lege flessen in de glascontainer.

De koe bij de horens vatten
De man bij de ballen grijpen of de vrouw bij de borsten grijpen mag niet vanwege het #MeToo-gebeuren. Bovendien sluit je de genderneutralen uit en dat is weer discriminatie. De mens- en diervriendelijke variant wordt dan: De boom bij de takken vatten.
Nu maar hopen dat er niet ergens een boomknuffelaar over de rooie gaat.

Kantoortuin

Zo lang als ik me kan heugen, werk ik al in een kantoortuin.   Zo’n kantoortuin is net een gewone tuin. Je hebt van die private, keurig aangeharkte tuintjes en van die spontane binnenloop-tuinen waarin iedereen welkom is om te komen barbecueën.  In zo’n laatste soort tuin werk ik nu. Het is de hele dag een komen en gaan van mensen. Mensen die in gestrekte draf voorbij draven, groepjes mensen  die ongevraagd een werkoverleg naast jouw bureau komen houden, mensen die niemand kunnen vinden en nerveus heen en weer drentelen etc.. Je kunt je voorstellen dat zo’n constante stroom van volk niet bevorderend is voor de productiviteit. Ik word in ieder geval erg afgeleid door al die mensen, waardoor ik zo nu en dan een dag thuis ga zitten om het werk gedaan te krijgen.

Ondanks dat uit diverse onderzoeken is gebleken  dat een kantoortuin niet goed is voor efficiency, productiviteit en kwaliteit, wordt om redenen die ik uit praktisch oogpunt goed begrijp, onze kantoortuin nog groter.  Slecht nieuws voor de mensen die het nu al moeilijk vinden om zich te concentreren in onze bijenkorf. De behoefte aan concentratiewerkplekken zal daardoor alleen maar gaan toenemen.  

Nu zie ik het nog niet gebeuren dat we de zo fel begeerde concentratiewerkplek gaan krijgen, maar erover nadenken hoe zo’n ruimte ingericht moet worden, mag natuurlijk wel. Met de nodige input van collega’s kom ik tot het volgende wensenlijstje:

  • De ruimte kan worden afgesloten met een deur en heeft maximaal 4 werkplekken.
  • De ruimte is een toevluchtsoord voor iedereen die hoog-sensitief, zwanger, ongesteld of in de overgang is (meno- of penopauze). Of een ieder die zich kan identificeren met de genoemde ‘staten-van-zijn’.
  • De wanden worden gecapitonneerd met maandverbandjes van het absorberende soort, zodat men naar believen het (eigen) hoofd tegen de muur kan laten bonzen. Soms heb je gewoon die behoefte.
  • Elke dag liggen er verse tampons klaar om in de oren te stoppen om het omgevingsgeluid volledig te dempen. Hangen er touwtjes uit de oren? Dan gelieve niet te praten tegen de persoon in kwestie.
  • Naast werken moet er ook ruimte zijn voor ontspanning. Ontspanning geeft immers energie. Het dartbord dat door enkele collega’s al wordt gebruikt, is een uitstekend idee. Ook fijn voor de mensen die liever niet hun hoofd voor bons-doeleinden willen gebruiken, maar wel hun frustraties van zich af willen gooien met pijltjes.

Om het serieus af te sluiten: het moeten werken in een kantoortuin is voor een deel van de medewerkers een groot probleem. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat mensen zich op de werkplek niet kunnen concentreren, met alle gevolgen van dien? Ik heb al eerder efficiency, productiviteit en kwaliteit genoemd, maar kantoortuinen blijken ook het ziekteverzuim omhoog te stuwen.
Ongeacht waar je binnen ons bedrijf werkt, moet het mogelijk zijn om concentratiewerkplekken in te richten. Je moet die mogelijkheden alleen willen zien. Ik heb wel een paar ideeën, wie nog meer?

Flexitariër

©eenzaadje.nlVroeger had het geen naam. Het was heel gewoon als je een keer een dagje of meerdere daagjes  geen vlees at. Omdat je spek op de pannenkoek niet lekker vond, omdat je liever een bammetje met kaas at of omdat je domweg niet voldoende geld had om vlees te kopen.  Tegenwoordig ben je een flexitariër als je regelmatig een dag vlees eten overslaat en eigenlijk vind ik dat verdomd irritant.  Want opeens wordt het een dingetje, je eetpatroon. Ik at al regelmatig een vleesloze maaltijd, maar nu ga ik nadenken over het bereiden van mijn voedsel en dat is niet verstandig.

Vond ik vroeger  vleesvervangende producten onzin, nu koop ik het omdat ik alles wil uitproberen. Dus vegetarische roockworsten, speckjes, braadworsten enzovoort verschijnen plots op mijn bord. Het is niet eens echt lekker. De braadworstjes zijn oké, de roockworst is ronduit smerig. En, ik geef het eerlijk toe, door het gaan gebruiken van vleesvervangers ben ik een flexitariër van niks geworden.  Vegetarische speckjes in de stamppot zuurkool en er dan wel een echte runderbraadworst bij nuttigen. Of echte spekjes in de boerenkool, geserveerd met zo’n smerige roockworst.

Ik heb daarom besloten dat ik weer een normale flexitariër ga worden, net als vroeger. Ook al heb ik heel fijn gegeten in het restaurant van de vegetarische slager, ik ga geen vleesvervangende producten meer kopen. Je kan zonder die producten ook prima vegetarisch koken en een lekkere en voedzame maaltijd bereiden. Bovendien houd ik op z’n tijd van een goed stuk vlees, dus die variatie wil ik graag in mijn eetpatroon houden. Of de Antivlees-Gestapo dat nu leuk vindt of niet.

Die bemoeienis van Jan-en-alleman met alles wat de mens wel of niet mag (roken, drinken, eten) werkt averechts, ik word er tenminste erg dwars van.  Het Voedingscentrum heeft de pijlen nu gericht op de vleesetende man, ik vermoed dat die campagne niet veel succes zal hebben. Tenzij het Voedingscentrum het advies van Japke-d. Bouma gaat opvolgen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/11/22/eet-minder-vlees-red-je-penis-a2756213

Waarvan akte.

Bezorgchinees

Man had geen zin om te koken, zo meldde hij opgewekt toen hij mij aan het eind van de vrijdagmiddag ophaalde van het station. Eenmaal thuis hulde hij zich in zijn campingoutfit, ging op de bank liggen en begon zijn wensen door te geven. Beter gezegd, of ik zo vriendelijk wilde zijn om een loempia speciaal en nasi djawa voor hem te bestellen. Ik mocht wat voor mezelf uitkiezen, hij zou wel betalen. Dat laatste had hij niet hoeven te zeggen, ik betaal digitaal en daar gebruik ik altijd zijn rekeningnummer voor. Per slot van rekening bestellen we meestal als hij aan de beurt is om te koken en dan vind ik dat hij ook voor de kosten mag opdraaien.

Anyway, de bestelling via de website doorgegeven en de verwachte levertijd zou zo’n 47 minuten bedragen. Het piepkuiken op de bank vond dat wel wat lang duren, maar dan had hij zelf maar de handen uit de mouwen moet steken.
Na 47 minuten kwam er inderdaad een bezorgbrommertje onze, doodlopende, straat in rijden. Van acht hoog zie ik het brommermannetje verbaasd naar de laagbouwwoningen in onze straat kijken en hij checkt op zijn telefoon de bestelgegevens. Ons huisnummer klopt niet met de huizen waarnaar hij staat te kijken. Het kind besluit vervolgens met de brommer onze parkeerplaats op te rijden om tot de ontdekking te komen dat daar geen extra huizen staan. Hij rijdt terug en parkeert de brommer voor onze flat. Dan ga je er vanuit dat hij eindelijk doorheeft dat hij in de flat moet zijn, maar helaas. De telefoon gaat en het is de bezorgchinees, hij kan ons niet vinden.

We staan voor het raam naar hem te kijken en er ontspint zich het volgende gesprek tussen Man en kind:
‘You’re standing right in front of our apartmentbuilding.’
…….
‘Turn around and you see a large building.’
…….
Man opent het raam en gaat er half uithangen:
‘Look up and you will see me.’
Dat hielp. Het kind zwaaide naar Man en begreep toen pas dat hij de trap op moest lopen en daar kon aanbellen. Dat aanbellen duurde ook een tijdje, Man voelde zich al genoodzaakt om naar beneden te gaan om de bestelling in ontvangst te nemen. Maar gelukkig vond het kind het juiste knopje en heeft de bestelling keurig aan de deur afgeleverd. Inmiddels waren we een kwartier verder en konden we eindelijk aanvallen op onze Chinese maaltijd.

Al blijft het handig om zo nu en dan ons Engels te kunnen oefenen met zo’n bezorgservice-kind, wat ons betreft is de tijd rijp voor een drone-bezorgdienst. Zolang het maar geen Chinese drone is, want die begrijpt ons niet. Denken we.

chinees1