Zo gezegd

Soms vraag ik me af in wat voor soort wereld we leven. Of beter gezegd, er bestaan mensen van wie ik de manier van denken niet kan doorgronden. Van die mensen die vinden dat alleen zij weten hoe het moet en niet openstaan voor andere ideeën en meningen. Ergens in Ohio zit een radiostation dat ‘Baby it’s cold outside’ niet meer wil draaien vanwege het zogenaamde hoge #MeToo-gehalte. Lees de column van Sylvia Witteman van vorige week en u weet hoe het zit. En nu is er een dierenrechtenorganisatie opgestaan, die het onacceptabel vindt dat er nog spreekwoorden en gezegden bestaan waarin het dierenleed gebagatelliseerd wordt. Er wordt een heuse ‘Stop anti-dierentaal’-actie op poten gezet, om ervoor te zorgen dat dergelijke gezegden verdwijnen of worden vervangen door acceptabele varianten. Ik vind het belachelijk, spreekwoorden en gezegden zijn een verrijking van de taal. Er is toch niets mooier dan beeldspraak? Maar goed, ik ben de beroerdste niet en wil best meedenken over diervriendelijke taal. Laten we meteen maar de koe bij de horens vatten.

Als een olifant in de porseleinkast
Dit betekent dat iemand als een lomperik te werk gaat. Nu komt dit bij mij bovendrijven: ‘Als iemand met obesitas in de schappen van de supermarkt’. Met direct dit er achteraan: ‘Halllooo Jumbo!’ Ik denk eerlijk gezegd dat dit  onnodig kwetsend is voor mensen met overgewicht. Dan moeten we het simpel houden. Als een lomperik in de vitrinekast.

Als een vis op het droge
Als iemand met astma in een rokershol.

Vlees noch vis
Bloemkool noch banaan. Of beter, het is geen bloemkool maar ook geen banaan.

Als de kat van huis is, dansen de muizen
Dit lijkt mij voor beide partijen toch een win-winsituatie. Ik zie hier voor zowel de kat als de muizen geen dierenleed ontstaan. Echter, als de kat van huis is, dan is hij buiten. En als hij buiten is, dan vreet hij vogels en ander ongedierte. Tja. Dan maar dit:
Als de vrouw van huis is, ligt de man op de bank voetbal te kijken onder het genot van bier en borrelnoten.

Als een kip zonder kop
Een kip raakt haar kop kwijt als ze wordt geraakt door iemand met een bijl. Zo’n koploze kip gaat dan rondjes rennen totdat ze dood neervalt. Oké, dat is zielig. De gezegde betekent zoiets als dom redeneren of onbesuisd handelen. Goed van toepassing op ieder willekeurige politicus. Het wordt dan wel een heel saai gezegde: Als een politicus redeneren/handelen.

Als een tang op een varken
Dit slaat echt nergens op. Het is wat het is, want dit betekent het. Al sloeg die tang vroeger op het feit dat je een varken niet met een tang kon pakken.

Als er één schaap over de dam is, volgen er meer
Als één iemand iets (nieuws) heeft geprobeerd, durven de anderen ook wel. Is dit iets: Als er één fietser door rood rijdt, volgen er meer.

Als het kalf verdronken is, dempt men de put
Als een kind van het springkussen valt, draaien we het ventieltje los. (van het springkussen, niet van het kind)

Beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht
Ik vind vogels eng, dus wat mij betreft blijven die beesten lekker in de lucht. Ik moet er niet aan denken om er eentje in de hand te moeten houden.
Beter één volle fles wijn in de hand, dan tien lege flessen in de glascontainer.

De koe bij de horens vatten
De man bij de ballen grijpen of de vrouw bij de borsten grijpen mag niet vanwege het #MeToo-gebeuren. Bovendien sluit je de genderneutralen uit en dat is weer discriminatie. De mens- en diervriendelijke variant wordt dan: De boom bij de takken vatten.
Nu maar hopen dat er niet ergens een boomknuffelaar over de rooie gaat.

Kantoortuin

Zo lang als ik me kan heugen, werk ik al in een kantoortuin.   Zo’n kantoortuin is net een gewone tuin. Je hebt van die private, keurig aangeharkte tuintjes en van die spontane binnenloop-tuinen waarin iedereen welkom is om te komen barbecueën.  In zo’n laatste soort tuin werk ik nu. Het is de hele dag een komen en gaan van mensen. Mensen die in gestrekte draf voorbij draven, groepjes mensen  die ongevraagd een werkoverleg naast jouw bureau komen houden, mensen die niemand kunnen vinden en nerveus heen en weer drentelen etc.. Je kunt je voorstellen dat zo’n constante stroom van volk niet bevorderend is voor de productiviteit. Ik word in ieder geval erg afgeleid door al die mensen, waardoor ik zo nu en dan een dag thuis ga zitten om het werk gedaan te krijgen.

Ondanks dat uit diverse onderzoeken is gebleken  dat een kantoortuin niet goed is voor efficiency, productiviteit en kwaliteit, wordt om redenen die ik uit praktisch oogpunt goed begrijp, onze kantoortuin nog groter.  Slecht nieuws voor de mensen die het nu al moeilijk vinden om zich te concentreren in onze bijenkorf. De behoefte aan concentratiewerkplekken zal daardoor alleen maar gaan toenemen.  

Nu zie ik het nog niet gebeuren dat we de zo fel begeerde concentratiewerkplek gaan krijgen, maar erover nadenken hoe zo’n ruimte ingericht moet worden, mag natuurlijk wel. Met de nodige input van collega’s kom ik tot het volgende wensenlijstje:

  • De ruimte kan worden afgesloten met een deur en heeft maximaal 4 werkplekken.
  • De ruimte is een toevluchtsoord voor iedereen die hoog-sensitief, zwanger, ongesteld of in de overgang is (meno- of penopauze). Of een ieder die zich kan identificeren met de genoemde ‘staten-van-zijn’.
  • De wanden worden gecapitonneerd met maandverbandjes van het absorberende soort, zodat men naar believen het (eigen) hoofd tegen de muur kan laten bonzen. Soms heb je gewoon die behoefte.
  • Elke dag liggen er verse tampons klaar om in de oren te stoppen om het omgevingsgeluid volledig te dempen. Hangen er touwtjes uit de oren? Dan gelieve niet te praten tegen de persoon in kwestie.
  • Naast werken moet er ook ruimte zijn voor ontspanning. Ontspanning geeft immers energie. Het dartbord dat door enkele collega’s al wordt gebruikt, is een uitstekend idee. Ook fijn voor de mensen die liever niet hun hoofd voor bons-doeleinden willen gebruiken, maar wel hun frustraties van zich af willen gooien met pijltjes.

Om het serieus af te sluiten: het moeten werken in een kantoortuin is voor een deel van de medewerkers een groot probleem. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat mensen zich op de werkplek niet kunnen concentreren, met alle gevolgen van dien? Ik heb al eerder efficiency, productiviteit en kwaliteit genoemd, maar kantoortuinen blijken ook het ziekteverzuim omhoog te stuwen.
Ongeacht waar je binnen ons bedrijf werkt, moet het mogelijk zijn om concentratiewerkplekken in te richten. Je moet die mogelijkheden alleen willen zien. Ik heb wel een paar ideeën, wie nog meer?

Flexitariër

©eenzaadje.nlVroeger had het geen naam. Het was heel gewoon als je een keer een dagje of meerdere daagjes  geen vlees at. Omdat je spek op de pannenkoek niet lekker vond, omdat je liever een bammetje met kaas at of omdat je domweg niet voldoende geld had om vlees te kopen.  Tegenwoordig ben je een flexitariër als je regelmatig een dag vlees eten overslaat en eigenlijk vind ik dat verdomd irritant.  Want opeens wordt het een dingetje, je eetpatroon. Ik at al regelmatig een vleesloze maaltijd, maar nu ga ik nadenken over het bereiden van mijn voedsel en dat is niet verstandig.

Vond ik vroeger  vleesvervangende producten onzin, nu koop ik het omdat ik alles wil uitproberen. Dus vegetarische roockworsten, speckjes, braadworsten enzovoort verschijnen plots op mijn bord. Het is niet eens echt lekker. De braadworstjes zijn oké, de roockworst is ronduit smerig. En, ik geef het eerlijk toe, door het gaan gebruiken van vleesvervangers ben ik een flexitariër van niks geworden.  Vegetarische speckjes in de stamppot zuurkool en er dan wel een echte runderbraadworst bij nuttigen. Of echte spekjes in de boerenkool, geserveerd met zo’n smerige roockworst.

Ik heb daarom besloten dat ik weer een normale flexitariër ga worden, net als vroeger. Ook al heb ik heel fijn gegeten in het restaurant van de vegetarische slager, ik ga geen vleesvervangende producten meer kopen. Je kan zonder die producten ook prima vegetarisch koken en een lekkere en voedzame maaltijd bereiden. Bovendien houd ik op z’n tijd van een goed stuk vlees, dus die variatie wil ik graag in mijn eetpatroon houden. Of de Antivlees-Gestapo dat nu leuk vindt of niet.

Die bemoeienis van Jan-en-alleman met alles wat de mens wel of niet mag (roken, drinken, eten) werkt averechts, ik word er tenminste erg dwars van.  Het Voedingscentrum heeft de pijlen nu gericht op de vleesetende man, ik vermoed dat die campagne niet veel succes zal hebben. Tenzij het Voedingscentrum het advies van Japke-d. Bouma gaat opvolgen:

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/11/22/eet-minder-vlees-red-je-penis-a2756213

Waarvan akte.

Bezorgchinees

Man had geen zin om te koken, zo meldde hij opgewekt toen hij mij aan het eind van de vrijdagmiddag ophaalde van het station. Eenmaal thuis hulde hij zich in zijn campingoutfit, ging op de bank liggen en begon zijn wensen door te geven. Beter gezegd, of ik zo vriendelijk wilde zijn om een loempia speciaal en nasi djawa voor hem te bestellen. Ik mocht wat voor mezelf uitkiezen, hij zou wel betalen. Dat laatste had hij niet hoeven te zeggen, ik betaal digitaal en daar gebruik ik altijd zijn rekeningnummer voor. Per slot van rekening bestellen we meestal als hij aan de beurt is om te koken en dan vind ik dat hij ook voor de kosten mag opdraaien.

Anyway, de bestelling via de website doorgegeven en de verwachte levertijd zou zo’n 47 minuten bedragen. Het piepkuiken op de bank vond dat wel wat lang duren, maar dan had hij zelf maar de handen uit de mouwen moet steken.
Na 47 minuten kwam er inderdaad een bezorgbrommertje onze, doodlopende, straat in rijden. Van acht hoog zie ik het brommermannetje verbaasd naar de laagbouwwoningen in onze straat kijken en hij checkt op zijn telefoon de bestelgegevens. Ons huisnummer klopt niet met de huizen waarnaar hij staat te kijken. Het kind besluit vervolgens met de brommer onze parkeerplaats op te rijden om tot de ontdekking te komen dat daar geen extra huizen staan. Hij rijdt terug en parkeert de brommer voor onze flat. Dan ga je er vanuit dat hij eindelijk doorheeft dat hij in de flat moet zijn, maar helaas. De telefoon gaat en het is de bezorgchinees, hij kan ons niet vinden.

We staan voor het raam naar hem te kijken en er ontspint zich het volgende gesprek tussen Man en kind:
‘You’re standing right in front of our apartmentbuilding.’
…….
‘Turn around and you see a large building.’
…….
Man opent het raam en gaat er half uithangen:
‘Look up and you will see me.’
Dat hielp. Het kind zwaaide naar Man en begreep toen pas dat hij de trap op moest lopen en daar kon aanbellen. Dat aanbellen duurde ook een tijdje, Man voelde zich al genoodzaakt om naar beneden te gaan om de bestelling in ontvangst te nemen. Maar gelukkig vond het kind het juiste knopje en heeft de bestelling keurig aan de deur afgeleverd. Inmiddels waren we een kwartier verder en konden we eindelijk aanvallen op onze Chinese maaltijd.

Al blijft het handig om zo nu en dan ons Engels te kunnen oefenen met zo’n bezorgservice-kind, wat ons betreft is de tijd rijp voor een drone-bezorgdienst. Zolang het maar geen Chinese drone is, want die begrijpt ons niet. Denken we.

chinees1

Geneuzel

De wereld wordt geteisterd door natuurrampen, iets waar je je best wel een beetje zorgen over mag maken, maar ‘gelukkig’ bestaan er nog mensen die zich liever druk maken over futiliteiten. Zoals woordgebruik of de uitspraak van bepaalde woorden. Het moge duidelijk zijn dat ik mij daar minder druk om maak, ik vind verkeerd taalgebruik erger. Ik begin spontaan te huiveren als iemand ‘als mij’ zegt, terwijl er ‘dan ik’ wordt bedoeld. Maar goed, even terug naar de futiliteiten. Het zal mij werkelijk een zorg zijn hoe de woorden auto en zeven worden uitgesproken. Zelf ben ik daar heel flexibel in, ik gebruik in beide gevallen alle gangbare varianten. Oftewel, auto/oto en zeven/zeuven. Het is maar net waar ik zin in heb of met wie ik in gesprek ben. Ik las onlangs een tweet van iemand die vond dat alleen Jort Kelder ‘zeuven’ mag zeggen, van andere mensen accepteert ze dat niet. Belachelijk, waarom Jort Kelder wel en de rest van de wereld niet? Ik citeer hier Onze Taal:  “De uitspraak ‘zeuven’ is ontstaan in dialecten – verspreid over het hele taalgebied, van Groningen en Noord-Holland tot Vlaanderen. Maar deze uitspraak is ook min of meer ingeburgerd geraakt in de standaardtaal, en dat heeft te maken met het (vroegere) telefoonverkeer. Bij het doorgeven van cijfers via de telefoon was met name in de begintijd van de telefonie het verschil tussen zeven en negen niet altijd duidelijk; ter onderscheiding ging men zeven daarom uitspreken als ‘zeuven’. Ook voor bijvoorbeeld juni en juli werd een onderscheid bedacht, dat ook nu nog wel wordt gehanteerd: ‘juno’ versus ‘julij’.”
Ha! En  ‘auto’ mag je gewoon als ‘oto’ uitspreken, wat zo’n azijnzeiker er ook maar van mag vinden.

Ander dingetje. Het gezeik of het ‘friet’ of ‘patat’ moet zijn. De ene keer heb ik zin in friet, de andere keer in patat en dat heeft niets te maken of ik nu voor een frietkot of in een cafetaria sta. Trouwens, er zijn in Nederland veel cafetaria’s die ‘Friet van Piet’ heten. Ben er nog nooit eentje tegengekomen die ‘Patat van Fat’ heet. En je gaat je cafetaria natuurlijk niet ‘Zat van Patat’ noemen. Hoe dan ook, friet en patat is gewoon hetzelfde. Bord/puntzak/milieuverontreinigend plastic bakje met patatfrietjes leeg eten en ophouden met zeuren. En neem er een kroket bij. Of is het croquette?

Tenenkrommend

Ken je dat? Dat je lied hoort en er meteen allerlei associaties bij hebt? Ik heb dat bijvoorbeeld bij ‘Brandend Zand’ van de onlangs overleden Anneke Grönloh. Sinds Bert Visscher dit lied volledig heeft geanalyseerd, kan ik niet meer fatsoenlijk naar deze hit luisteren. (voor zover dat al mogelijk is) Bert heeft, met krijtbord in de aanslag, haarfijn duidelijk gemaakt dat Marseille niet in de woestijn kan liggen en dat 3 namen in één zin te veel zijn. En ik moet ook altijd denken aan OAD-bussen en zacht zingende golven. Kortom, hoor ik Anneke, dan zie ik Bert. Hetzelfde fenomeen doet zich trouwens voor bij ‘I’ve got you babe’ van Sonny & Cher. Ik hoor dan alleen maar Beavis & Butthead in mijn hoofd meeblèren.

Ergens in het voorjaar van 2017 heb ik mijn herinneringen aan ‘Suzanne’ van Herman van Veen met jullie gedeeld met de bedoeling om vaker songteksten te gaan analyseren. Ondanks de reeds aangelegde waslijst is het daar nooit van gekomen, omdat er altijd wel een ander onderwerp voorbij kwam waarover geschreven moest worden. Tot vandaag. Want deze week hoorde ik het werkelijk tenenkrommende nummer ‘I’ve never been to me’ van ene Charlene. In dit lied spreekt Charlene als een stalkende Jehovagetuige een ontevreden huismoeder bestraffend toe, om haar duidelijk te maken dat ze tevreden moet zijn met wat ze heeft. Want Charlene heeft weliswaar lekker lopen te sloeriën in het paradijs, ze noemt het zelf ‘subtle whoring’, maar ze is nooit bij zichzelf geweest. Boehoehoe.

Het gaat te ver om de complete tekst hier onder de loep te nemen, maar er zitten een paar tenenkrommende zinnen in dat lied. Nadat ze heeft gekweeld dat ze in de zon heeft liggen rampetampen met een priester, is ze op the Isle of Greece geweest. Serieus, het eiland Griekenland. Dat laatste foutje wil ik haar wel vergeven, per slot van rekening is ze een Amerikaanse, maar daarna vervolgt ze met deze shit:
I’ve moved like Harlow in Monte Carlo and showed ‘em what I’ve got
I’ve been undressed by kings and I’ve seen some things that a woman ain’t supposed to see

Die eerste zin levert bij mij het beeld op dat Charlene schaars gekleed op de motorkap van een Maserati is gaan liggen, ze moet toch op een of andere manier de aandacht weten te trekken van die koningen in de 2e zin. En over welke koningen hebben we het hier eigenlijk? Namen en rugnummers graag! Of heeft zo’n vent zich gewoon voorgesteld met ‘Hi, my name is King, James King’ en dat Charlene denkt dat het een echte koning is en meteen begint te kirren dat haar stoeipakje een klittenbandsluiting heeft en dat hij best mag proberen of hij dat met één hand los kan krijgen. Je weet het niet en Charlene geeft ook geen enkele duidelijkheid. Nee, ze vervolgt met de nog vagere mededeling dat ze dingen heeft gezien die geen vrouw geacht wordt te zien. Wat dan, Charlene? Wat voor dingen bestaan er dan die een vrouw niet mag zien? Wat houden die kerels voor ons verborgen? Vertel het ons!

Lang verhaal kort: een waar kut-lied.

 

Tampopo

TampopoNee, dit is geen nieuw tampon-merk. Hoewel het marketingtechnisch wel lekker bekt: ‘pop it with Tampopo’ of ‘when it pops, you know it’s Tampopo.’
Tampopo is de titel van een Japanse cultfilm die ik afgelopen vrijdag heb bekeken. Tampopo, oftewel paardebloem, is een dame met een eetcafé en zij maakt hele slechte ramen. Geen vensters, maar een Japanse noedelsoep. Samen met een vrachtwagenchauffeur gaat zij op zoek naar de beste recepten voor bouillon en noedels, zodat ze een perfecte ramen kan koken. Dit gegeven alleen zou een saaie film opleveren, ware het niet dat de zoektocht wordt afgewisseld met andere verhaallijnen die allemaal met eten te maken hebben. Zo probeert een dame een groep meisjes in een restaurant te leren dat het in Europa not done is om te smakken en te slurpen. Ze geeft een demonstratie hoe je geluidloos spaghetti vongole eet, maar wordt compleet tegengewerkt door de aanwezigheid van een Europese man die met veel geluid zijn spaghetti naar binnen zit te slurpen. Dat deed me denken aan die keer dat ik, jaren geleden, met een collega in een Amsterdams hotel verbleef en we ’s ochtends bij het ontbijt luidruchtig smakkende en boerende Japanners aantroffen. Ik werd er niet blij van, maar collega in kwestie lag in tranen onder de tafel. Van het lachen, hij vond het hilarisch.

Een ander pareltje is de oude dame die in de supermarkt graag in zacht voedsel prikt, zoals perziken en camembert. Ze wordt achtervolgd door de supermarktmanager, die haar probeert te betrappen en haar uiteindelijk een tik verkoopt met een vliegenmepper. Het hoogtepunt vond ik echter het gangsterstelletje, dat eten aan erotiek koppelt. Hoewel ik nu nooit meer normaal naar een eierdooier kan kijken. Waarom zou je een rauwe eierdooier in de mond nemen en die overbrengen naar de mond van een ander? En weer terug tot het moment dat het misgaat? Zag er ranzig uit, het eigeel dat uit een mond  gutste. Ik ben dol op eigeel van het warme soort, maar voorlopig hoef ik niet meer zo nodig een uitsmijter of een gepocheerd ei.

Hoe dan ook, een aanrader deze film uit 1985. Al was het alleen maar vanwege het feit dat je tijdens de aftiteling mag kijken naar een gulzige baby aan de borstvoeding. Een voedselverslaving moet toch ergens beginnen.

eigeel tampopo

Hoe verplaats je een eierdooier zonder het te breken? Nou, zo dus.